Waarborgsom verrekening kosten

LJN: BK5682,Sector kanton Rechtbank Groningen, 376857 /08-12495

 

RECHTBANK GRONINGEN

 

Sector kanton, Locatie Groningen

 

Zaakrolnummer: 376857/08-12495

 

Vonnis d.d. 18 november 2009

 

inzake

 

A., wonende te Groningen,

eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie, hierna A. te noemen,

gemachtigde mr. E.Tj van Dalen, advocaat te Groningen,

 

tegen

 

1. Q., wonende te Groningen,

gedaagde in conventie, hierna mede Q. te noemen,

gedaagde sub 1 in persoon procederende,

2. de stichting met rechtspersoonlijkheid Stichting Woonruimte, gevestigd en kantoorhoudende te 9726 GM Groningen, Van Heemskerckstraat 54,

gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie, hierna mede de Stichting te noemen,

gemachtigde gedaagde sub 2, I. Cornet, werkzaam bij de Stichting.

 

 

PROCESGANG

 

A. heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van € 310,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

 

Q. heeft in conventie geantwoord.

 

De Stichting heeft in conventie geantwoord en in reconventie gevorderd A. te veroordelen tot betaling van € 20,75, met veroordeling van A. in de proceskosten.

 

Partijen hebben daarna de gebruikelijke conclusies gewisseld, waarna vonnis is bepaald op heden.

 

 

OVERWEGINGEN

 

1. De feiten

 

1.1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

 

1.2. Q. is eigenaar van het perceel aan de Van Heemskerckstraat 54 te Groningen. Het beheer van dit pand heeft hij overgedragen aan de Stichting. Een activiteit van de Stichting is het zogenaamde Eerstejaarsproject.

Het inschrijfformulier van de Stichting vermeldt over het project het volgende:

“ Het eerstejaarsproject bestaat sinds 1992 en houdt in dat je tijdens je eerste studiejaar (van 15 juli tot 15 juli het daaropvolgende jaar) met een aantal andere eerstejaarsstudenten het eerste jaar beleeft. Je leeft dan samen in een huis (op loopafstand van het station) met voor iedereen een eigen slaap/studeerkamer en goede voorzieningen, zoals bijvoorbeeld: een gemeenschappelijke woonkamer en keuken, internetaansluiting, voldoende sanitair en gebruik van wasmachine en droogtrommel.

Om in aanmerking te komen moet je voor het eerst op kamers gaan en gedurende je eerste jaar tussen 17 en 20 jaar zijn.”

 

1.3. A. heeft zich aangemeld voor het project en op 20 juni 2007 een overeenkomst getekend met daarboven de tekst “overeenkomst m.b.t. deelname aan eerstejaarsproject 2007-2008”.

 

1.4. Artikel 1 van de overeenkomst luidt:

“De EJS (eerstejaarsstudente, kantonrechter) neemt voor de periode 15 juli 2007 tot en met 14 juli 2008 deel aan het Eerstejaarsproject (EJP 2007-2008). Het betreft een vaste periode van één jaar, niet langer en niet korter; verlenging of tussentijdse opzegging is niet mogelijk. (Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, uiterlijk tot 1 januari 2008 kan projectleider besluiten van deze regeling af te wijken. En eraan meerwerken dat de overeenkomst door een geschikt geachte kandidate overgenomen wordt. Alle hieraan verbonden kosten, waaronder minimaal € 100,= administratiekosten, zijn voor rekening van de EJS.)”

 

1.5. In Artikel 7 van de overeenkomst staat (onder andere) vermeld:

“b. Tevens is een garantiesom ad € 310,– (zegge driehonderd en tien) verschuldigd. De garantiesom dient binnen 1 week na ondertekening van deze overeenkomst te worden betaald; pas dan worden sleutels uitgegeven. (…) De garantiesom wordt aan het einde van de looptijd van EJP 2007-2008 (14 juli 2008) terugbetaald nadat de slaap/studeerkamer leeg, schoon en schadevrij is opgeleverd, de sleutels zijn ingeleverd en de EJS alle schulden, uit welke hoofde dan ook, heeft voldaan. (…)

Op de garantiesom kan onder andere worden ingehouden:

(…)

Voor een wand die niet in één keer wit te schilderen is: € 50,=.

(…)

 

m. De, gecertificeerde, sleutels mogen niet aan derden worden afgestaan en kunnen slechts in opdracht van de projectleider nagemaakt worden. Bij vermissing wordt voor een buitendeursleutel € 45,= in rekening gebracht, voor overige sleutels € 10,= per stuk.”

 

1.6. A. heeft de garantiesom van € 310,00 aan de Stichting betaald.

 

1.7. Bij het aangaan van de overeenkomst waren twee wanden van de kamer rood geschilderd.

 

 

1.8. Per 15 maart 2008 is de overeenkomst door een andere student overgenomen.

 

 

2. Het standpunt van A.

 

in conventie en in reconventie

 

2.1. A. stelt dat zij bij beëindiging van het huurcontract heeft verzocht om terugbetaling van de gehele waarborgsom. De Stichting stelt zich echter ten onrechte op het standpunt dat zij een vordering van € 330,75 op A. heeft en weigert de waarborgsom terug te betalen. De vermeende vordering van de Stichting bestaat uit administratiekosten en het schilderen van twee wanden, in totaal een bedrag van € 330, 75.

 

2.2. Met betrekking tot de administratiekosten stelt A. dat niet alleen uit niets is gebleken dat er daadwerkelijk kosten door de Stichting zijn betaald en gemaakt om een andere kandidaat te vinden, maar ook dat artikel 1 van het huurcontract op grond van artikel 7:264 BW ten aanzien van het bedingen van administratiekosten als nietig moet worden aangemerkt. Daarnaast handelt de Stichting in strijd met de redelijkheid en billijkheid door daar een beroep op te doen.

 

2.3. Bij aanvang van de huurovereenkomst waren de wanden in de kamer reeds voorzien van een rode kleur. Partijen zijn niet overeengekomen dat A. zorg zou dragen voor het wit schilderen van de wanden. Het bedrag is verder ook niet gespecificeerd en/of nader onderbouwd.

 

 

3. Het standpunt van Q.

 

in conventie

 

Q. voert aan dat de garantiesom door A. aan de Stichting is betaald en dat A. dus van hem niets te vorderen heeft. Voor het overige verwijst Q. naar hetgeen door de Stichting is aangevoerd.

 

 

4. Het standpunt van de Stichting

 

in conventie en in reconventie

 

4.1. De Stichting erkent dat A. in beginsel recht heeft op terugstorting van de betaalde garantiesom. Zij stelt echter dat zij een vordering in reconventie heeft en dat zij deze met de garantiesom wil verrekenen. Per saldo heeft zij dan nog een bedrag van € 20,75 van A. te vorderen.

 

4.2. De Stichting stelt dat er geen sprake is van een huurcontract maar van een “overeenkomst m.b.t. deelname aan Eerstejaarsproject 2007-2008”. Dit project houdt in dat de mogelijkheid geboden wordt het eerste jaar van de studie in een groep gelijkgestemde eerstejaarsstudenten, in een goede studiesfeer en met toezicht, door te brengen in een veilige omgeving. De deelnemende studentes worden met zorg bij elkaar gezocht. Dit brengt extra tijd en kosten met zich. Als de overeenkomst voortijdig wordt beëindigd, moet de projectleider de nodige activiteiten ondernemen om een nieuwe kandidaat te vinden. Voor deze gevallen is in artikel 1 van de overeenkomst geregeld dat er een bedrag van minimaal

€ 100,00 aan administratiekosten in rekening wordt gebracht. A. heeft door de ondertekening van de overeenkomst aangegeven akkoord te gaan met het in rekening brengen van deze administratiekosten.

Nu er geen sprake is van een huurovereenkomst dient het beroep van A. op artikel 7:264 BW te worden verworpen.

 

4.3. Naast het minimale bedrag aan administratiekosten zijn aan A. nog extra kosten in rekening gebracht. Deze kosten zien op werkzaamheden die zijn verricht als gevolg van de wijze waarop A. de overeenkomst heeft beëindigd.

 

4.4. In artikel 7b van de overeenkomst wordt duidelijk vermeld dat voor iedere wand die niet in één keer wit te verven is, € 50,– in rekening wordt gebracht. Wie de wanden in die kleur heeft geschilderd is daarbij niet van belang. Bij het aangaan van de overeenkomst heeft A. gezien dat de beide wanden rood waren en deze vervolgens geaccepteerd. In juli 2008 zijn de wanden weer wit geschilderd en daarvoor waren drie lagen verf nodig.

 

 

5. De beoordeling

 

5.1. Gelet op de onderlinge samenhang zal de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.

 

5.2. De stelling van A. dat artikel 1 van de overeenkomst als nietig beding als bedoeld in artikel 7:264 BW moet worden gekwalificeerd, dient naar het oordeel van de kantonrechter te worden verworpen. Artikel 7:264 BW ziet namelijk op bedingen die verband houden met het aangaan van de overeenkomst. Dat wil zeggen bedingen waarvan men aanneemt dat zij wezenlijk waren voor de bereidheid van de Stichting om met A. te contracteren. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De administratiekosten waarvan de Stichting betaling vordert zien op kosten die zij stelt te hebben gemaakt omdat de overeenkomst door A. tussentijds is beëindigd.

 

5.3. Naast het beroep op nietigheid van het beding voert A. aan dat de Stichting in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door hierop een beroep te doen. A. heeft deze stelling echter niet nader toegelicht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft A. daarmee niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan en dus dient het beroep op de redelijkheid en billijkheid te worden afgewezen.

 

5.4. Op grond van het vorenstaande kunnen aan A. de gestelde administratiekosten in rekening worden gebracht met inachtneming van het volgende. Artikel 1 bepaalt dat de administratiekosten minimaal € 100,– bedragen. De Stichting heeft echter naast dit minimale bedrag nog een vergoeding voor overige werkzaamheden in rekening gebracht. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen deze overige werkzaamheden niet gezien worden als werkzaamheden die voortvloeien uit het voortijds beëindigen van het contract. Deze werkzaamheden zijn een gevolg van het geschil dat partijen over het terugbetalen van de waarborgsom hebben. Vergoeding van deze kosten is dan ook niet op grond van het voortijdig beëindigen van de overeenkomst als bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst toewijsbaar. De administratiekosten zullen op grond hiervan slechts tot een bedrag van € 100,– worden toegewezen.

 

5.5. De Stichting vordert van A. voorts een bedrag van € 100,– voor het verven van twee wanden. A. voert verweer tegen de vordering en voert aan dat de wanden bij aanvang van de overeenkomst reeds in de rode kleur waren geverfd. Dit verweer dient naar het oordeel van de kantonrechter te worden verworpen. In de overeenkomst is in artikel 7 sub b bepaald dat voor iedere wand die niet in één keer wit te schilderen is € 50,00 op de waarborgsom in mindering wordt gebracht. Door de overeenkomst te ondertekenen is A. met deze bepaling akkoord gegaan. Nu zij niet heeft betwist dat de wanden door of namens de Stichting zijn geverfd, kan het bedrag van € 100,00 op de waarborgsom worden ingehouden.

 

5.6. Resumerend komt de kantonrechter tot de volgende berekening. In beginsel dient aan A. de door haar betaalde waarborgsom van € 310,00 te worden terugbetaald. Op dit bedrag mogen gedaagden een bedrag van € 200,00 in mindering brengen zodat zij aan A. nog een bedrag van € 110,00 dienen te betalen.

 

5.7. Het verweer van Q. dat A. van hem niets te vorderen heeft omdat de garantiesom aan de Stichting is betaald, dient te worden verworpen aangezien de Stichting bij de uitvoering van de overeenkomst optreedt als vertegenwoordiger van Q..

 

5.8. Gelet op de uitkomst van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

 

 

BESLISSING

 

De kantonrechter:

 

in conventie en in reconventie

 

veroordeelt gedaagden hoofdelijk om tegen kwijting aan A. te betalen € 110,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening;

 

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.J. Smits, kantonrechter, en op 18 november 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

 

typ: mmv