Werkbegeleiding en huur

ECLI:NL:RBOBR:2015:97

Deeplink

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

15-01-2015

Datum publicatie

19-01-2015

Zaaknummer

2993884

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Woonbegeleidingsovereenkomst en huurovereenkomst zo nauw met elkaar verbonden dat het einde van de eerstgenoemde overeenkomst tot gevolg heeft dat de andere evenmin in stand kan blijven? Uitleg van de rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden van het geval. De kantonrechter is van oordeel dat de hiervoor genoemde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Van de twee samenhangende overeenkomsten is de woonbegeleidingsovereenkomst tussen Care for You en huurster de overheersende die prevaleert boven de huurovereenkomst tussen Compaen en huurster. In verband met de beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst is derhalve tevens een einde gekomen aan de huurovereenkomst.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Zaaknummer : 2993884

Rolnummer : 14-4856

Uitspraak : 15 januari 2015

in de zaak van:

de vereniging

Woningbouwvereniging Compaen,

gevestigd te Helmond,

eiseres,

gemachtigde: mr. W.J. Aardema,

t e g e n

[huurster],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.J.T. van Stiphout.

Partijen zullen hierna worden genoemd “Compaen” en “[huurster]”.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding d.d. 14 april 2014 met de producties 1 tot en met 17;

b. de conclusie van antwoord d.d. 7 augustus 2014 met de producties 1 tot en met 4;

c. de door [huurster] nagezonden productie 5;

d. de comparitie na antwoord d.d. 21 oktober 2014 ten behoeve waarvan Compaen de producties 18 tot en met 25 in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan [huurster] zijn toegezonden;

e. het door [huurster] toegezonden faxbericht d.d. 30 oktober 2014, met daarin opgenomen het verzoek om de kantonrechter te wraken;

f. de beschikking van de wrakingskamer d.d. 27 november 2014 waarbij [huurster] niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek om wraking.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

2.1.

Vanaf februari 1998 tot 26 november 2007 heeft [huurster] de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning) van Compaen gehuurd.

2.2.

Op 26 november 2007 hebben Compaen, Stichting Maatschappelijke Opvang (hierna te noemen: SMO) en [huurster] een driepartijen-overeenkomst met betrekking tot verhuur van de woning en woonbegeleiding gesloten (productie 1 bij dagvaarding).

2.3.

In genoemde driepartijen-overeenkomst staat, met uitzondering van hetgeen ter verduidelijking tussen haakjes [ ] is geplaatst, onder meer letterlijk vermeld:

“Partij C: Betrokkene [[huurster]] is op dit moment huurder van de thans door hem bewoonde woning zoals hierboven omschreven (hierna te noemen: de woning), welke woning hij/zij huurt van de hierboven genoemde woningcorporatie [Compaen]. Betrokkene ondervindt reeds enige tijd problemen in de woonsituatie een en ander zoals hierna toegelicht. Betrokkene is

alleenstaand.

De navolgende omstandigheden zijn van belang bij deze overeenkomst

1. Vanwege herhaalde huurschulden/dan wel; vanwege een ernstige overlastsituatie/dan wel: vanwege andere omstandigheden (een en ander nader in te vullen), heeft de corporatie zich genoodzaakt gezien om tegen betrokkene een procedure aanhangig te maken strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst alsmede ontruiming.

2. Gezien de aard van de woonproblemen alsmede gezien de gezinssituatie van betrokkene c.q. gezien de persoonlijke omstandigheden van betrokkene moet vastgesteld worden dat betrokkene niet zelfstandig in staat is om zonder problemen als rustig c.q. goed huurder de woning te kunnen bewonen.

3. Teneinde deze verergering van woonproblemen te voorkomen, is de corporatie bereid om betrokkene een tweede kans te bieden om de bewoning van de woning, waarin betrokkene thans woonachtig is, voort te zetten. Hieraan zijn wel bijzondere voorwaarden verbonden. Zo zal betrokkene bereid dienen te zijn om een woonbegeleidingstraject te accepteren en te volgen, waarbij van betrokkene een serieuze inzet en medewerking wordt verwacht. Betrokkene dient daartoe een overeenkomst aan te gaan met SMO.

4. Voorts zal de woning die thans door de corporatie aan betrokkene verhuurd is, maar waarvan de huurovereenkomst door de rechter is ontbonden, door de corporatie rechtstreeks verhuurd worden aan SMO die op haar beurt, met instemming van de corporatie, de woning aan betrokkene zal onderhuren. Doordat de positie van verhuur en woonbegeleiding daardoor in één organisatie verenigd zijn, zal de woonbegeleiding naar verwachting een grotere kans van slagen hebben.

(…)

HUUROVEREENKOMST TUSSEN SMO EN BETROKKENE

(…)

Artikel 2

Deze huurovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van het begeleidingstraject waartoe tussen partijen hiernavolgend een aparte overeenkomst word gesloten. De huurovereenkomst is zodoende aan de begeleidingsovereenkomst gekoppeld, zodat de duur van de huurovereenkomst daardoor qua tijdsbestek is begrensd. Dat wil zeggen dat SMO de huurovereenkomst mag c.q. zal beëindigen zodra de begeleidingsovereenkomst een einde neemt.

Artikel 3

De beëindiging van de begeleidingsovereenkomst vindt plaats ofwel omdat het begeleidingstraject succesvol wordt afgesloten ofwel omdat de begeleidingsovereenkomst voortijdig door SMO moet worden opgezegd wegens gebrek aan medewerking door betrokkene.”

2.4.

Nadat de woonbegeleidingsovereenkomst tussen SMO en [huurster] was geëindigd, heeft GGZ Oost Brabant (hierna te noemen: GGZ) de woonbegeleiding met ingang van medio februari 2012 van SMO overgenomen (productie 3 bij dagvaarding). Op 1 oktober 2012 hebben Compaen en [huurster] vervolgens een “tijdelijke huurovereenkomst voor bijzondere doelgroepen” met elkaar gesloten ten aanzien van de woning (productie 4 bij dagvaarding) en hebben GGZ en [huurster] een “woonbegeleidingsovereenkomst” met elkaar gesloten (productie 5 bij dagvaarding).

2.5.

In de hierboven genoemde overeenkomst tussen Compaen en [huurster] d.d. 1 oktober 2012 staat onder meer vermeld:

“IN AANMERKING NEMENDE:

1. Huurder heeft aan verhuurster laten weten graag een huurwoning te willen bewonen, maar tegelijkertijd te beseffen en te erkennen dat hij/zij daarbij begeleiding en ondersteuning behoeft van de Geestelijke Gezondheidszorg Oost Brabant (GGZ) te Helmond, met welke instelling huurder een woonbegeleidingsovereenkomst heeft gesloten, en wel voor de duur van minimaal 1 jaar en voorts zolang GGZ dit noodzakelijk oordeelt;

2. In het kader van de hiervoor sub 1 beschreven situatie en met name met het oog op de tussen GGZ en huurder gesloten woonbegeleidingsovereenkomst, heeft verhuurster zich bereid verklaard om met huurder een tijdelijke huurovereenkomst aan te gaan, zulks onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat huurder zich (ook) jegens haar verplicht tot nakoming van de in de woonbegeleidingsovereenkomst met GGZ gemaakte afspraken, en huurder er voorts mee instemt dat deze tijdelijke huurovereenkomst in ieder geval en automatisch eindigt per datum waarop de tussen huurder en GGZ gesloten woonbegeleidingsovereenkomst eindigt zonder dat de in deze woonbegeleidingsovereenkomst overeengekomen minimale begeleidingsperiode is verstreken (1 jaar) en/of de daarin geformuleerde doelstellingen zijn bereikt.

3. Huurder onderschrijft de noodzaak en redelijkheid van hiervoor sub 2 door verhuurster gestipuleerde voorwaarden (grofweg omschreven als onlosmakelijke koppeling tussen de tijdelijke huurovereenkomst en de woonbegeleidingsovereenkomst) en stemt ermee in de huurwoning te zullen ontruimen en verlaten per datum waarop de woonbegeleidingsovereenkomst eindigt zonder dat de in deze woonbegeleidingsovereenkomst overeengekomen minimale begeleidingsperiode is verstreken (1 jaar) en/of zonder dat de daarin geformuleerde doelstellingen zijn bereikt;

(…)

De huurperiode

Artikel 3

De huurovereenkomst is met ingang van 1 oktober 2012 aangegaan voor bepaalde tijd en is onlosmakelijk verbonden met de tussen huurder en GGZ gesloten woonbegeleidingsovereenkomst. Beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst zonder dat de in deze overeenkomst geformuleerde doelstellingen zijn bereikt, doet ook de onderhavige huurovereenkomst van rechtswege eindigen.”

2.6.

In de op 1 oktober 2012 gesloten woonbegeleidingsovereenkomst tussen GGZ en [huurster] staat onder meer letterlijk vermeld:

“Begeleidingsperiode

Artikel 2

(…)

2.2

Eenzijdige beëindiging van deze woonbegeleidingsovereenkomst door bewoner is niet mogelijk, althans niet zonder gelijktijdige beëindiging van de met Compaen gesloten huurovereenkomst. Beëindiging van deze woonbegeleidingsovereenkomst door GGZ is mogelijk indien bewoner zijn verplichtingen uit hoofde van de met Compaen gesloten huurovereenkomst niet nakomt en/of zijn verplichtingen uit hoofde van deze woonbegeleidingsovereenkomst en/of het in artikel 1.2 bedoelde individueel begeleidingsplan niet nakomt.”

2.7.

Naast de woonbegeleiding door GGZ (in de persoon van de heer [S.]) op grond van de woonbegeleidingsovereenkomst, ontving [huurster] ook een behandeling van GGZ ten aanzien van haar psychiatrische problemen.

2.8.

Bij brief d.d. 9 april 2013 heeft de heer [S.] namens GGZ onder meer het volgende te kennen gegeven aan Compaen (productie 6 bij dagvaarding):

“Hiermee wil ik U op de hoogte brengen van het feit dat de GGZ Oost-Brabant mevr. [huurster]( [geboortedatum]) per 11 februari heeft uitgeschreven en de zorg heeft terugverwezen naar de huisarts.

Mevr. [huurster] heeft vervolgens per 07-03-2013 besloten om ook de begeleiding geboden door de GGZ Oost-Brabant per direct te stoppen.

Mevr. is gewezen op het feit dat ze een woonbegeleidingsovereenkomst heeft ondertekend en dat het stoppen gevolgen voor haar kan hebben.

Desondanks heeft mevr. [huurster] aangegeven bij haar besluit te blijven.

Mevr, geeft aan een andere zorgaanbieder in de hand te hebben genomen.”

2.9.

Bij brief d.d. 23 april 2013 heeft Compaen vervolgens aan [huurster] medegedeeld dat zij de woning moet verlaten, omdat de woonbegeleidingsovereenkomst tussen laatstgenoemde en GGZ is geëindigd en de huurovereenkomst is gekoppeld aan de woonbegeleidingsovereenkomst (productie 7 bij dagvaarding).

2.10.

Bij brief d.d. 21 mei 2013 heeft Compaen [huurster] verzocht de woning uiterlijk 24 juni 2013 te ontruimen en op te leveren (productie 9 bij dagvaarding).

2.11.

Bij brief d.d. 21 juni 2013 heeft de gemachtigde van [huurster] tegen een ontruiming van de woning geprotesteerd (productie 10 bij dagvaarding).

2.12.

Vervolgens heeft er overleg plaatsgevonden tussen de gemachtigden van beide partijen. De gemachtigde van [huurster] heeft aangegeven dat zorginstelling Care for You bereid is gevonden om de woonbegeleiding van [huurster] op zich te nemen.

2.13.

Op 15 augustus 2013 hebben Compaen en [huurster] vervolgens een nieuwe “tijdelijke huurovereenkomst voor bijzondere doelgroepen” met elkaar gesloten ten aanzien van de woning (productie 14A bij dagvaarding) en hebben Care for You en [huurster] met elkaar een woonbegeleidingsovereenkomst gesloten. De nieuwe overeenkomst ten aanzien van de woning kent dezelfde soort bepalingen als de op 1 oktober 2012 tussen Compaen en [huurster] gesloten overeenkomst. In de op 15 augustus 2013 gesloten overeenkomst ten aanzien van de woning staat onder meer vermeld:

“IN AANMERKING NEMENDE:

(…)

3. In het kader van de hiervoor sub 2 beschreven situatie en met name met het oog op de tussen Care For You zorg en huurder gesloten woonbegeleidingsovereenkomst, heeft verhuurster zich bereid verklaard om –na gedane huuropzegging zijdens huurder- met huurder een nieuwe tijdelijke huurovereenkomst aan te gaan, zulks onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat huurder zich (ook) jegens haar verplicht tot nakoming van de in de woonbegeleidingsovereenkomst met Care For You zorg gemaakte afspraken, en huurder er voorts mee instemt dat deze tijdelijke huurovereenkomst in ieder geval en automatisch

eindigt per datum waarop de tussen huurder en Care For You zorg gesloten woonbegeleidingsovereenkomst eindigt zonder dat de in deze woonbegeleidingsovereenkomst overeengekomen minimale begeleidingsperiode is verstreken (1 jaar) en/of de daarin geformuleerde doelstellingen zijn bereikt;

4. Huurder onderschrijft de noodzaak en redelijkheid van hiervoor sub 3 door verhuurster gestipuleerde voorwaarden (grofweg omschreven als onlosmakelijke koppeling tussen de tijdelijke huurovereenkomst en de woonbegeleidingsovereenkomst) en stemt ermee in de huurwoning te zullen ontruimen en verlaten per datum waarop de woonbegeleidingsovereenkomst eindigt zonder dat de in deze woonbegeleidingsovereenkomst overeengekomen minimale begeleidingsperiode is verstreken (1 jaar) en/of zonder dat de daarin geformuleerde doelstellingen zijn bereikt;

(…)

De huurperiode

Artikel 3

De huurovereenkomst is met ingang van verhuurdatum aangegaan voor bepaalde tijd en is onlosmakelijk verbonden met de tussen huurder en Care For You zorg gesloten woonbegeleidingsovereenkomst. Beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst zonder dat de in deze overeenkomst geformuleerde doelstellingen zijn bereikt, doet ook de onderhavige huurovereenkomst van rechtswege eindigen.

(…)

De Algemene huurvoorwaarden van verhuurster

Artikel 6

6.1.

Op deze overeenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van verhuurster van toepassing.

In afwijking van en/of aanvulling op de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van verhuurster is het volgende overeengekomen:

De tussen huurder en Care For You zorg gesloten woonbegeleidingsovereenkomst maakt onderdeel uit van deze tijdelijke huurovereenkomst. Huurder is jegens verhuurster verplicht tot nakoming van alle verbintenissen zoals deze voortvloeien uit de tussen huurder en Care For You zorg gesloten woonbegeleidingsovereenkomst. Niet nakoming van deze verbintenissen zullen ook ten opzichte van verhuurster als wanprestatie in het kader van deze huurovereenkomst worden beschouwd.”

2.14.

In de van toepassing verklaarde “Algemene Huurvoorwaarden, d.d. 1 januari 2006” (hierna te noemen: de algemene voorwaarden) staat onder meer letterlijk vermeld (productie 14B bij dagvaarding):

“6.3.

Huurder/huurster zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder/huurster betaamt.

(…)

6.6.

Huurder/huurster dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder/huurster, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder/huurster in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten of directe omgeving bevinden.”

2.15.

Op 5 november 2013 heeft Care for You aan Compaen te kennen gegeven dat zij de woonbegeleidingsovereenkomst met [huurster] heeft opgezegd. Uit de door [huurster] overgelegde verklaring van Care for You (productie 2 van [huurster]) blijkt dat de reden van deze opzegging is dat [huurster] niet in aanmerking kwam voor een persoonsgebonden budget (hierna te noemen: pgb).

2.16.

Bij brief d.d. 21 november 2013 heeft Compaen, naar aanleiding van de beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst door Care for You, [huurster] verzocht de woning uiterlijk op 6 januari 2014 ontruimd op te leveren (productie 15 bij dagvaarding).

2.17.

[huurster] heeft geen gehoor gegeven aan het laatstgenoemde verzoek van Compaen.

3 Het geschil

3.1.

Compaen vordert:

primair

1. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst door beëindiging van de begeleidingsovereenkomst is komen te eindigen op 5 november 2013;

2. te verklaren voor recht dat [huurster] gehouden was om op 6 januari 2014 de woning te ontruimen en op te leveren conform het bepaalde in artikel 11.1 van de algemene voorwaarden en daarmee tevens conform de opnamestaat en inventarislijst zoals bij aanvang van de huurovereenkomst opgemaakt;

3. [huurster] te veroordelen de woning te ontruimen met al de haren en het hare en al degenen die van harentwege de woning gebruiken én aan Compaen op te leveren conform artikel 11.1 van de algemene voorwaarden, zulks uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans met inachtneming van een termijn door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

4. [huurster] te veroordelen om aan Compaen te voldoen een vergoeding gelijk groot aan de laatst verschuldigde huurpenningen per maand, voor elke maand gelegen tussen de dag van beëindiging op 5 november 2013 en de dag van ontruiming;

5. [huurster] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde als ook de eventueel te maken nakosten;

subsidiair

1. ontbinding van de huurovereenkomst zoals Compaen deze heeft gesloten met [huurster] met betrekking tot de woning, zulks met ingang van een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

2. [huurster] te veroordelen de woning te ontruimen met al de haren en het hare en al degenen die van harentwege de woning gebruiken én aan Compaen op te leveren conform artikel 11.1 van de algemene voorwaarden, zulks uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans met inachtneming van een termijn door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

3. [huurster] te veroordelen om aan Compaen te voldoen een vergoeding gelijk groot aan de laatst verschuldigde huurpenningen per maand, voor elke maand gelegen tussen de dag van ontbinding en de dag van ontruiming;

4. [huurster] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde als ook de eventueel te maken nakosten.

3.2.

Compaen legt daaraan, kort en zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Primair is Compaen van mening dat [huurster] zonder recht of titel in de woning verblijft. De huurovereenkomst tussen Compaen en [huurster] en de woonbegeleidings-overeenkomst tussen [huurster] en Care for You zijn aan elkaar gekoppeld. Het einde van de woonbegeleidingsovereenkomst per 5 november 2013 heeft tot gevolg dat ook de huurovereenkomst per die datum is geëindigd. De huurovereenkomst betreft niet een reguliere huurovereenkomst, maar moet vanwege het overheersende element “zorg” worden aangemerkt als een zorgovereenkomst die naar zijn aard slechts van korte duur is. [huurster] kan dan ook geen beroep doen op huurbescherming.

3.2.2.

Subsidiair is het standpunt van Compaen dat [huurster] zodanig is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, dat ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen gerechtvaardigd is. De tekortkomingen bestaan onder meer uit het niet in stand houden van de woonbegeleidingsovereenkomst conform het bepaalde in artikel 6 van de huurovereenkomst, het stelselmatig en structureel veroorzaken van overlast, het verwaarlozen van de woning (hetgeen in strijd is met artikel 6 van de algemene voorwaarden) en het zich niet als een goed huurster gedragen (artikel 7:213 BW jo. artikel 6 van de algemene voorwaarden).

3.3.

[huurster] voert – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verweer.

3.3.1.

Er is sprake van een reguliere huurovereenkomst. [huurster] komt dus wel degelijk een beroep op huurbescherming toe. Weliswaar bestaat er een koppeling tussen “wonen” en “woonbegeleiding”, maar die “woonbegeleiding” is steeds ondergeschikt geweest aan “wonen”. [huurster] huurde de woning reeds negen jaren van Compaen zonder woonbegeleiding toen er een driepartijen-overeenkomst met SMO werd gesloten. Om het wonen te faciliteren is in eerste instantie SMO erbij betrokken en zijn er later woonbegeleidingsovereenkomsten tussen [huurster] en GGZ respectievelijk Care for You gesloten. Niet de begeleiding, maar het wonen als zodanig staat derhalve voorop. Dat de woonbegeleidingsovereenkomst met Care for You is geëindigd, is niet aan [huurster] te wijten. De oorzaak hiervan was namelijk dat zij niet in aanmerking kwam voor een pgb.

3.3.2.

Er is geen sprake (meer) van tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst. Overlast en/of verwaarlozing zijn/is niet aan de orde. Bovendien ontvangt [huurster] thans opnieuw woonbegeleiding van GGZ. In elk geval rechtvaardigen eventuele tekortkomingen geen ontbinding van de huurovereenkomst. Mocht de kantonrechter anders oordelen, dan verzoekt [huurster] het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aangezien zij van een toewijzend vonnis zeker in hoger beroep zal komen en er ingeval van een ontruiming onherstelbare schade wordt toegebracht.

4 De beoordeling

Is de huurovereenkomst op 5 november 2013 geëindigd? (primaire vordering onder 1)

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat de (laatstelijk) tussen partijen met betrekking tot de woning gesloten overeenkomst d.d. 15 augustus 2013 moet worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Compaen heeft immers aan [huurster] woonruimte ter beschikking gesteld waartegenover [huurster] zich heeft verplicht tot het voldoen van een financiële tegenprestatie.

4.2.

Niet voorbij kan echter worden gegaan aan het feit dat de hier bedoelde huurovereenkomst is aangegaan in het kader van een tussen [huurster] en Care for You gesloten woonbegeleidingsovereenkomst, zoals blijkt uit de “tijdelijke huurovereenkomst voor bijzondere doelgroepen” d.d. 15 augustus 2013.

4.3.

Het geschil tussen partijen betreft in wezen de vraag of de woonbegeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst zo nauw met elkaar zijn verbonden dat het einde van de eerstgenoemde overeenkomst tot gevolg heeft dat de andere evenmin in stand kan blijven. Daarbij komt het aan op uitleg van de rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt het daarbij geen verschil of er sprake is van één (meerpartijen-)akte of, zoals hier, van een combinatie van met elkaar samenhangende tweepartijen-akten.

4.4.

Anders dan [huurster] is de kantonrechter van oordeel dat de hiervoor genoemde vraag bevestigend moet worden beantwoord. [huurster] was ermee bekend, althans had kunnen en moeten begrijpen, dat Compaen de woning niet aan haar verhuurde als reguliere woonconsument, maar in haar hoedanigheid van cliënt van Care for You. Van de twee samenhangende overeenkomsten is de woonbegeleidingsovereenkomst tussen Care for You en [huurster] de overheersende die prevaleert boven de huurovereenkomst tussen Compaen en [huurster]. Het moet voor [huurster] duidelijk zijn geweest dat de woonbegeleidingsovereenkomst met Care for You onlosmakelijk was verbonden met en onderdeel uitmaakte van de huurovereenkomst met Compaen en dat zij de door Compaen ter beschikking gestelde woning zou dienen te verlaten indien de woonbegeleiding door Care for You zou worden beëindigd wegens het niet voldoen door [huurster] aan de gestelde voorwaarden. [huurster] heeft hetgeen door Compaen in dit verband is gesteld, onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij dit oordeel speelt met name het volgende een rol.

4.5.

In de eerste plaats staat in de huurovereenkomst d.d. 15 augustus 2013 uitdrukkelijk vermeld dat de huur van de woning afhankelijk is van de woonbegeleiding door Care for You (zie de citaten in r.o. 2.13.).

4.6.

Voorts speelt mee dat [huurster] reeds vanaf 26 november 2007 de woning niet meer als reguliere huurster van Compaen heeft gehuurd. Uit de citaten in r.o. 2.3., 2.5. en 2.6. blijkt dat de huur van de woning en de woonbegeleiding sinds die datum aan elkaar waren gekoppeld. Uitsluitend om de tussen Care for You en [huurster] overeengekomen woonbegeleiding te faciliteren – nadat de woonbegeleiding van SMO en later de woonbegeleiding van GGZ waren geëindigd – is Compaen de woning tegen betaling ter beschikking blijven stellen, dat wil zeggen om te leren (zelfstandig te) wonen, en niet alleen of primair om te wonen. [huurster] was als gevolg van het eindigen van de eerdere woonbegeleidingsovereenkomsten met SMO en GGZ reeds op de hoogte van de gevolgen van het eindigen van een woonbegeleidingsovereenkomst. Zeker gelet op het feit dat de huurovereenkomst d.d. 15 augustus 2013 dezelfde soort bepalingen kent als de huurovereenkomst d.d. 1 oktober 2012 (die was gekoppeld aan de woonbegeleidingsovereenkomst tussen [huurster] en GGZ) en Compaen [huurster] bij brief d.d. 23 april 2013 had medegedeeld dat zij de woning moest verlaten wegens het einde van de woonbegeleidingsovereenkomst tussen [huurster] en GGZ, moet het voor [huurster] duidelijk zijn geweest dat hetzelfde zou gelden ingeval de woonbegeleidingsovereenkomst tussen haar en Care for You zou eindigen.

Het feit dat [huurster] de woning vóór 26 november 2007 wel als reguliere huurster van Compaen huurde, doet aan het voorgaande niets af.

4.7.

Ter zitting is door [huurster] niet (voldoende) weersproken dat de tussen Care for You en [huurster] gesloten woonbegeleidingsovereenkomst is geëindigd. [huurster] heeft niet betwist dat Care for You voldoende reden had om de woonbegeleidingsovereenkomst per 5 november 2013 te beëindigen (namelijk: het vervallen van het pgb van [huurster]), maar voert aan dat deze reden niet aan haar te wijten is. De kantonrechter volgt [huurster] niet in dit verweer. In de gegeven omstandigheden – waarbij onder meer in aanmerking wordt genomen dat [huurster] ter zitting heeft toegegeven dat zij de eerder met GGZ gesloten woonbegeleidingsovereenkomst zelf heeft beëindigd – komt het ontbreken van een pgb voor risico van [huurster]. Daarmee staat voldoende vast dat de woonbegeleidingsovereenkomst door Care for You is beëindigd per 5 november 2013.

4.8.

Het vorenstaande leidt ertoe dat in verband met de beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst tevens per 5 november 2013 een einde is gekomen aan de huurovereenkomst. [huurster] verblijft thans derhalve zonder recht of titel in de woning. Zij mist in casu de bescherming die wordt geboden door de wettelijke huurbepalingen. De kantonrechter ziet daarom geen grond [huurster] de in artikel 7:272 BW neergelegde huurbescherming te bieden en zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.9.

Op grond van het voorgaande zal de primair onder 1 gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Dit brengt met zich dat hierna de overige primaire vorderingen zullen worden beoordeeld en de kantonrechter aan een beoordeling van de subsidiaire vorderingen niet toekomt.

Was [huurster] gehouden de woning op 6 januari 2014 te ontruimen en op te leveren? (primaire vordering onder 2)

4.10.

Op grond van het vorenstaande, gelet op de brief van Compaen d.d. 21 november 2013 (waarin zij [huurster] heeft verzocht de woning per 6 januari 2014 te ontruimen) en in aanmerking genomen dat [huurster] tegen deze vordering niet afzonderlijk verweer heeft gevoerd, zal de kantonrechter ook de primair onder 2 gevorderde verklaring voor recht toewijzen.

Ontruiming van de woning (primaire vordering onder 3)

4.11.

Aangezien [huurster] thans zonder recht of titel in de woning verblijft, zal de primair gevorderde veroordeling tot ontruiming in beginsel reeds hierom worden toegewezen.

4.12.

De kantonrechter overweegt dat de persoonlijke omstandigheden van [huurster], hoe vervelend ook, geen gegronde reden vormen om de vordering van Compaen af te wijzen. Het belang van Compaen om verdere schade aan de woning te voorkomen, weegt zwaarder dan het woonbelang van [huurster]. Compaen heeft – onder verwijzing naar de door haar overgelegde foto’s (producties 13 en 16 bij dagvaarding) – aangevoerd dat [huurster] de woning van binnen en van buiten verwaarloost/vervuilt en dat [huurster] Compaen niet meer toelaat in de woning. [huurster] heeft hiertegen onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd. Ter zitting heeft zij aangegeven dat de tuin nog moet worden opgeknapt, maar dat de woning er thans van binnen goed uitziet. Toch heeft [huurster] om haar moverende redenen Compaen desgevraagd niet in de gelegenheid gesteld om de woning direct na de zitting van binnen te fotograferen. Tijdens de comparitie heeft de kantonrechter [huurster] reeds voorgehouden dat slechts ingeval [huurster] Compaen zou toestaan om direct na de zitting foto’s in de woning te nemen er een voortgezette mondelinge behandeling zou plaatsvinden in het bijzijn van door [huurster] aan te wijzen medewerkers van GGZ. Tijdens die voortgezette mondelinge behandeling zouden dan de kansen op een geslaagde (nieuwe) woonbegeleiding door GGZ kunnen worden besproken en de door Compaen na de zitting gemaakte foto’s kunnen worden bekeken. De omstandigheid dat [huurster] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, brengt met zich dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om de door [huurster] gestelde nieuwe (woon)begeleiding door GGZ (in het kader van een belangenafweging) nader te onderzoeken. Ten slotte komt daar nog bij dat gesteld noch gebleken is dat [huurster] ingeval van een ontruiming dakloos zal worden. Hetgeen [huurster] overigens heeft aangevoerd leidt evenmin tot een ander oordeel. De primaire vordering onder 3 zal derhalve worden toegewezen.

(Achterstallige) huurpenningen tot de ontruiming (primaire vordering onder 4)

4.13.

[huurster] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de primaire vordering onder 4, zodat deze vordering wordt toegewezen zoals hierna vermeld. Dit vonnis kan uiteraard slechts ten uitvoer worden gelegd voor zover [huurster] nog niet aan bedoelde vordering heeft voldaan dan wel zal voldoen.

Proceskostenveroordeling

4.14.

[huurster] wordt als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst door beëindiging van de begeleidingsovereenkomst is komen te eindigen op 5 november 2013;

verklaart voor recht dat [huurster] gehouden was om op 6 januari 2014 de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en op te leveren conform het bepaalde in artikel 11.1 van de algemene voorwaarden en daarmee tevens conform de opnamestaat en inventarislijst zoals bij aanvang van de huurovereenkomst opgemaakt;

veroordeelt [huurster] om voornoemde woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en aan Compaen op te leveren conform het bepaalde in artikel 11.1 van de algemene voorwaarden;

veroordeelt [huurster] om aan Compaen te voldoen een vergoeding gelijk groot aan de laatst verschuldigde huurpenningen per maand, voor elke maand gelegen tussen de dag van beëindiging van de huurovereenkomst op 5 november 2013 en de dag van ontruiming;

veroordeelt [huurster] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Compaen tot heden begroot op € 95,77 aan explootkosten, € 462,– aan griffierecht en € 300,– als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

veroordeelt [huurster] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, aan de zijde van Compaen vastgesteld op € 100,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), te vermeerderen met de explootkosten van de betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2015.