Wie kunnen de vordering tot medehuurderschap instellen?

De vordering moet worden ingesteld door de huurder, de aspirant huurder en de eventueel al aanwezige medehuurders. De huurder kan ook weigeren zijn medewerking te verlenen aan een verzoek aan de verhuurder om de samenwoner de positie van medehuurder te geven. Als de huurder gerede kans loopt de huurwoning aan de beoogde medehuurder te verliezen, dan is dit een gerechtvaardigde grond van zijn medewerking te weigeren (Arrest Gerechtshof Amsterdam van 2 maart 2010, WR 2010, 117).
Als iemand medehuurder is geworden op grond van een niet door een (of meer) van de (mede)huurders ondersteund verzoek/vordering, hebben de betrokkenen een niet aan nadere afweging onderworpen recht om beëindiging van het medehuurderschap te vorderen.

Als de huurder het hoofdverblijf niet meer in de woning heeft dan kan het medehuurderschap niet meer worden aangevraagd. Dit bleek uit een uitspraak van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht van 22 september 2005 LJN: AU3101, sector kanton Rechtbank Dordrecht, 158094 CV EXPL 05-2116 . Er kon geen sprake van medehuurderschap zijn nu de huurder de woning al had verlaten toen de bewoner het verzoek om medehuurderschap deed. De situatie luidde als volgt. Een zoon trekt op 8 augustus 2002 bij een moeder in haar huurwoning. De moeder vertrekt definitief op 3 december 2002 uit de woning. Volgens het huurreglement dient de huurder de huur op te zeggen als zij niet meer haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft. De huurder heeft vervolgens de huur in augustus 2004 opgezegd. De in de woning wonende zoon meent huurrechten op basis van medehuurderschap te hebben en is bovendien van mening dat de verhuurder het vertrouwen heeft gewekt dat hij de woning mocht bewonen door gedurende bijna twee jaren de huur te accepteren. De verhuurder was van mening dat de huurder de woning in onderhuur had en dat er geen sprake van medehuurderschap kon zijn. De in de woning wonende zoon betwiste dat er van onderhuur sprake was.
De rechter besliste als volgt: dat er van onderhuur sprake zou zijn is door de verhuurder onvoldoende onderbouwd. De vordering tot ontruiming van het gehuurde wegens onderhuur werd afgewezen. Er was de rechter niets gebleken van een gezamenlijk verzoek tot aanvraag van het medehuurderschap. Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan evenmin sprake zijn, nu vast staat dat de zoon op 8 augustus 2002 in de woning is gaan wonen en zijn moeder in ieder geval op 3 december 2002 de woning heeft verlaten. Nu de verhuurder het verzoek om medehuurderschap had afgewezen kan er van een opgewekt vertrouwen geen sprake zijn.
Er was geen sprake van medehuur, zodat de zoon zonder recht op titel in de woning woonde. De vordering tot ontruiming werd toegewezen.

Onder omstandigheden kan het weigeren van medewerking aan deze vordering zozeer tegen de redelijkheid en billijkheid indruisen dat het vereiste van medewerking van huurder of medehuurders komt te vervallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het geval dat de huurder met zijn huisgenoot ruzie krijgt en dat onder omstandigheden van de huurder mag worden verlangd dat die meewerkt dat zijn huisgenoot medehuurder wordt. Noot 100