Wijziging grondslag

LJN: BG8000, Rechtbank Rotterdam , 281154 / HA ZA 07-827

Datum uitspraak: 05-11-2008

Datum publicatie:22-12-2008

Eisvermindering wel, wijziging grondslag eis niet toegestaan jegens niet-verschenen gedaagde. Vordering uit ongerechtvaardigde verrijking na vernietiging overeenkomst op grond van bedrog afgewezen wegens ondeugdelijke vernietigingsverklaring.

Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

 

Sector civiel recht

 

Zaak-/rolnummer: 281154 / HA ZA 07-827

 

Uitspraak: 5 november 2008

 

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ARENDA II B.V.,

gevestigd te Reeuwijk,

eiseres,

advocaat mr. R.W.F. Heijmeriks,

 

– tegen –

 

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 1,

niet verschenen,

 

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

advocaat mr. J. van den Ende.

 

 

Partijen worden hierna aangeduid als “Arenda” respectievelijk “[gedaagde sub 1]” en “[gedaagde sub 2]”.

 

 

1  Het verloop van het geding

 

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

–  dagvaarding d.d. 22 maart 2007 en de door Arenda overgelegde producties;

–  conclusie van antwoord zijdens [gedaagde sub 2];

–  tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 25 juli 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

–  proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 februari 2008;

–  brief van mr. Keulers namens Arenda d.d. 6 februari 2008, met bijlagen;

–  conclusie van repliek tevens inhoudende vermindering/wijziging van eis, met producties;

–  conclusie van dupliek.

 

1.2 Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Ingevolge artikel 140 lid 2 Rv wordt het thans te wijzen vonnis aangemerkt als een vonnis op tegenspraak, gewezen tussen Arenda enerzijds en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds.

 

2  De vaststaande feiten

 

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

 

2.1 Op 27 oktober 2005 is van een doorlopend kredietovereenkomst als bedoeld in de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: ‘WCK’) een onderhandse akte opgemaakt, in welke akte enerzijds Arenda als ‘Kredietgever’ en anderzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als ‘Contractant’ zijn vermeld. De akte vermeldt, voor zover thans relevant:

 

“1. Arenda verleent hierbij aan Contractant een kredietfaciliteit tot een bedrag van maximaal EUR 39.000, (…).

  (…)

5. Contractant machtigt hierbij tot wederopzegging Arenda de maandelijkse termijnen en al hetgeen Contractant overigens uit hoofde van deze overeenkomst aan Arenda verschuldigd mocht worden, af te schrijven van zijn [bankrekeningnummer] en zal ervoor zorgdragen dat het tegoed op deze rekening de afschrijving steeds toelaat.

6. Contractant geeft hierbij opdracht aan Arenda om ten laste van dit Krediet over te maken aan:

 

Naam   Vestigings-/woonplaats (post)bank rek.nr. contractnr een bedrag van

DE PERELAER   Wognum  641206100   779080955    3700.00

WEHKAMP    ZWOLLE  0000966966   21648700    400.00

COMFORT CARD  Houten    0226565475   30-2958794    1000.00

FORTIS BANK           849525616   17000.00

GEMA    Breukelen  0660151081   720029110    3978.00

[handgeschreven, rb.:]

Cliënt          telefonisch     € 12.922,=

(…)

Partijen verklaren ook de algemene voorwaarden te hebben ontvangen en akkoord te gaan met de inhoud hiervan.

Aldus ondertekend te Reeuwijk/ROTTERDAM    (…) 27-10-2005

Arenda [handtekening onleesbaar, rb.,] Arenda II B.V.

Contractant [handtekening: “[gedaagde sub 1]”, rb.] [gedaagde sub 1]

Partner [handtekening: “[gedaagde sub 2]”, rb.] [gedaagde sub 2]”.

  

2.2 Op de overeenkomst zijn van toepassing de algemene voorwaarden Doorlopend Krediet (DKL) Arenda II, hierna ‘de algemene voorwaarden’. Artikel 6 van de algemene voorwaarden bepaalt, voor zover thans relevant:

 

“Het totale door Contractant verschuldigde bedrag, inclusief eventuele vertragingsvergoeding, is vervroegd opeisbaar indien:

a. Contractant gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de terugbetaling van een vervallen termijnbedrag en, na in gebreke te zijn gesteld, tekort blijft komen in de nakoming van zijn verplichting tot betaling;”.

 

2.3 Bij aangetekende brief van 28 februari 2007, verzonden aan het adres [adres] te [woonplaats], zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] namens Arenda gesommeerd om binnen zeven dagen over te gaan tot betaling van achterstallige termijnen groot € 1.560,–, en bij voorbaat in gebreke gesteld voor het geval betaling binnen de gestelde termijn zou uitblijven. Eenzelfde sommatie is aan [gedaagde sub 1] verzonden bij aangetekende brief van 6 maart 2007, verzonden aan het adres [adres] te [woonplaats]. In beide brieven is het gehele restant inlossaldo in zijn geheel en ineens opgeëist.

 

2.5 Bij aangetekende brieven van 13 maart 2007 heeft Arenda [gedaagde sub 1] (op het adres [adres]) respectievelijk [gedaagde sub 2] (op het adres [adres]) gesommeerd om binnen 7 dagen nadien het netto inlossaldo per die datum, groot € 38.949,20, te betalen, en hen terzake bij voorbaat in gebreke gesteld.

 

2.6 Op 13 december 2006 heeft [gedaagde sub 2] aangifte gedaan van vervalsing van zijn handtekening door [gedaagde sub 1] op de onder 2.1 bedoelde overeenkomst, hierna ‘de overeenkomst’.

 

2.7 Tot 28 juni 1995 zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehuwd geweest.

 

 

3  De vordering

 

De bij conclusie van repliek gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling van € 12.492,– te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2007, althans een in goede justitie te bepalen datum;

2. primair [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, althans subsidiair [gedaagde sub 1], te veroordelen tot betaling van € 21.438,– te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2007, althans een in goede justitie te bepalen datum;

3. met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.

 

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Arenda aan de vorderingen de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

 

3.1 Uit hoofde van de overeenkomst heeft Arenda op 3 november 2005 in totaal € 39.000,– betaald, als volgt:

– aan De Perelaer   € 3.973,–

– aan Wehkamp     € 465,–

– aan Comfort Card  € 1.000,–

– aan Fortis bank   € 17.000,–

– aan Gema    € 3.978,–

– aan [gedaagde sub 1]     € 12.584,–.

 

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

 

3.2 Ondanks sommatie en ingebrekestelling is [gedaagde sub 1] meer dan twee maanden achterstallig gebleven in de betaling van een vervallen termijnbedrag, waardoor het door [gedaagde sub 1] verschuldigde ingevolge artikel 6 sub a van de algemene voorwaarden vervroegd opeisbaar is geworden.

 

3.3 Arenda heeft van [gedaagde sub 1], rekening houdend met de WCK, opeisbaar te vorderen € 38.949,20. Dit is het resterende netto inlossaldo, bestaande uit de reeds verschenen maar niet betaalde termijnen vermeerderd met het restant van de schuld. Sommatie en ingebrekestelling hebben niet tot betaling geleid.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

 

3.4 Op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden is over dit inlossaldo een vertragingsvergoeding verschuldigd gelijk aan het overeengekomen variabele kredietvergoedingspercentage vanaf 3 april 2007, zijnde 14 dagen na de ingebrekestelling met ingang van 20 maart 2007 door middel van de brief van 13 maart 2007.

 

3.5 [gedaagde sub 1] heeft de handtekening van [gedaagde sub 2] onder de overeenkomst vervalst. De overeenkomst is tot stand gekomen door middel van bedrog. Indien Arenda had geweten dat zij enkel met [gedaagde sub 1] contracteerde, dan zou zij de overeenkomst niet hebben gesloten. De overeenkomst is vernietigbaar op grond van artikel 3:44 BW. Arenda roept hierbij de nietigheid in van haar rechtshandeling op grond waarvan de overeenkomst is tot stand gekomen. De overeenkomst is daarmee met terugwerkende kracht vernietigd.

 

3.6 Ten gevolge van de vernietiging van de overeenkomst is de rechtsgrond van de in 3.1 genoemde betalingen komen te ontvallen. [gedaagde sub 2] was hoofdelijk naast [gedaagde sub 1] aansprakelijk voor de schulden aan De Perelaer (gelijk te stellen aan DSB Bank), Wehkamp en Fortis Bank. Doordat Arenda aan deze schuldeisers betalingen heeft gedaan tot in totaal € 21.438, , zijn de schulden van [gedaagde sub 2] tenietgegaan en is hij tot dit bedrag -gelet op de vernietiging van de overeenkomst- ongerechtvaardigd verrijkt. Arenda is tot hetzelfde bedrag verarmd.

 

3.7 [gedaagde sub 2] dient de door Arenda geleden schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking, zijnde € 21.438,–, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Nu [gedaagde sub 1] een aantal terugbetalingen heeft gedaan, waarvan de laatste op 29 januari 2007 is ontvangen, wordt eenvoudigheidshalve de wettelijke rente vanaf die datum gevorderd.

 

4  Het verweer van [gedaagde sub 2]

 

Het verweer van [gedaagde sub 2] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Arenda bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

[gedaagde sub 2] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

 

4.1 [gedaagde sub 2] betwist dat hij aansprakelijk is op grond van ongerechtvaardigde verrijking. De door Arenda gedane betalingen van € 17.000,– aan Fortis Bank, € 465,– aan Wehkamp en € 3.9973,– aan DSB (c.q. De Perelaer) zijn niet ten behoeve van [gedaagde sub 2] gedaan. [gedaagde sub 2] is geen overeenkomsten aangegaan met DSB (c.q. De Perelaer), Wehkamp en Fortis Bank en was niet gehouden om vorderingen uit hoofde van deze overeenkomsten te voldoen.

 

4.2 Zou al komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de schulden aan Fortis Bank, Wehkamp en DSB (c.q. De Perelaer) dan betwist [gedaagde sub 2] dat Arenda schade lijdt, nu zij gelet op de vernietiging van de overeenkomst het betaalde van [gedaagde sub 1] kan terugvorderen.

 

5  De beoordeling

 

De wijziging van eis

 

5.1 Bij conclusie van repliek tevens inhoudende vermindering/wijziging van eis heeft Arenda haar vordering en de grondslagen daarvan gewijzigd.

 

5.2 Krachtens artikel 129 Rv is een vermindering van eis te allen tijde mogelijk zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Een verandering van de eis of de gronden daarvan is daarentegen ingevolge artikel 130 Rv lid 3 uitgesloten ten aanzien van de gedaagde die niet in het geding is verschenen, tenzij de eiser de verandering tijdig bij exploot aan deze gedaagde kenbaar heeft gemaakt. De ratio is dat voorkomen moet worden dat een niet verschenen gedaagde tot iets kan worden veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd.

 

5.3 Uit deze bepalingen volgt dat de eisvermindering bij conclusie van repliek ten aanzien van alle gedaagden geldt. Deze eisvermindering komt ten aanzien van [gedaagde sub 1] neer op een verlaging van de gevorderde hoofdsom met het bedrag van € 5.019,20 tot € 33.930,– en een andere, per saldo lager uitkomende, wijze van renteberekening. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] komt de eisvermindering neer op een verlaging van de gevorderde hoofdsom met € 17.511,20 tot € 21.438,–, en een andere, per saldo lager uitkomende renteberekening.

 

5.4 De wijziging van de grondslag van de eis, die erop neerkomt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet langer tot nakoming van de kredietovereenkomst worden aangesproken maar uit ongerechtvaardigde verrijking, en voor wat betreft [gedaagde sub 1] ook uit onverschuldigde betaling, geldt echter niet ten aanzien van [gedaagde sub 1]. Niet gesteld of gebleken is immers dat deze vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar is gemaakt. Dat Arenda zelf met nadruk vermeldt dat zij de wijziging als een vermindering van eis ziet, leidt niet tot een ander oordeel.

Ten opzichte van [gedaagde sub 1] zal de rechtbank derhalve recht doen op de na eisvermindering gevorderde bedragen en rente, maar op de oorspronkelijk bij dagvaarding aangevoerde grondslag.

 

5.5 [gedaagde sub 2], die wel is verschenen, heeft in de door hem genomen conclusie van dupliek geen bezwaar aangetekend tegen de wijziging van de grondslag van de eis. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de verandering van de grondslag van de eis als in strijd met een goede procesorde ambtshalve te weigeren, geldt ten aanzien van [gedaagde sub 2] niet alleen de eisvermindering maar ook de wijziging van de grondslag van de eis.

Ten opzichte van [gedaagde sub 2] zal de rechtbank dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

 

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

 

5.6 De bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen en de verminderde vordering komt op de oorspronkelijke grondslag niet onrechtmatig of ongegrond voor, nu Arenda aanspraak kan maken op het resterende netto inlossaldo. De verminderde vordering is derhalve voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 20 maart 2007, de dag waartegen [gedaagde sub 1] terzake van het gehele inlossaldo in gebreke is gesteld.

 

 

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

 

5.7 Na eiswijziging baseert Arenda de vordering op [gedaagde sub 2] op ongerechtvaardigde verrijking. Zij stelt daartoe dat de overeenkomst tussen Arenda en [gedaagde sub 1] door bedrog tot stand is gekomen, en roept bij conclusie van repliek de vernietigbaarheid van deze overeenkomst in. Ten gevolge van de vernietiging van de overeenkomst is met terugwerkende kracht de rechtsgrond aan de ten bate van [gedaagde sub 2] verrichte betalingen ontvallen, aldus Arenda.

 

5.8 De in de conclusie van repliek neergelegde vernietigingsverklaring van Arenda is aan te merken als een buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 3:50 BW. Ingevolge artikel 3:50 BW dient Arenda de vernietigingsverklaring te richten tegen hen die partij zijn bij de te vernietigen rechtshandeling, derhalve tot [gedaagde sub 1].

Nu [gedaagde sub 1] echter niet in deze procedure is verschenen, neemt de rechtbank bij gebrek aan andere relevante stellingen en gelet op het onder 5.1 genoemde belang van [gedaagde sub 1] als niet verschenen gedaagde, als vaststaand aan dat de vernietigingsverklaring niet tot [gedaagde sub 1] is gericht. Evenmin is gesteld of gebleken dat de vernietigingsverklaring [gedaagde sub 1] heeft bereikt. Aldus neemt de rechtbank aan dat niet is voldaan aan de door artikel 3:37 lid 3 BW gestelde eis, dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt.

Om deze redenen komt aan de vernietigingsverklaring geen werking toe, zodat de rechtsgrond voor de door Arenda verrichte betalingen nog bestaat.

 

5.9 Voor het alsnog gelegenheid geven aan Arenda om een vernietigingsverklaring tot [gedaagde sub 1] te richten ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.

Ter comparitie is immers reeds met Arenda en [gedaagde sub 2] besproken dat een vordering op de -toen nog subsidiaire- grondslag ongerechtvaardigde verrijking tegen [gedaagde sub 2] geen kans van slagen zou hebben, indien de gestelde verrijking van [gedaagde sub 2] haar rechtvaardiging vindt in de overeenkomst tussen Arenda en [gedaagde sub 1]. Vervolgens is namens Arenda gelegenheid gevraagd en gekregen om de grondslagen van haar vorderingen schriftelijk te onderbouwen, hetgeen zij bij conclusie van repliek heeft gedaan onder gelijktijdige vermindering en wijziging van haar eis.

Gezien deze achtergrond mocht van Arenda worden verwacht dat zij, gelet op het belang daarvan voor de door haar gewijzigde eis, haar vernietigingsverklaring conform de eisen der wet uitbracht.

 

5.10 Nu de overeenkomst tussen Arenda en [gedaagde sub 1] de gestelde verrijking van [gedaagde sub 2] onverminderd rechtvaardigt, zal de vordering van Arenda op [gedaagde sub 2] reeds op deze grond worden afgewezen.

 

Proceskosten

 

5.11 [gedaagde sub 1] zal als de jegens Arenda in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot vergoeding van de helft van de kosten van de tegen haar en [gedaagde sub 2] uitgebrachte dagvaarding, het gehele door Arenda betaalde vast recht en het op één procespunt bepaalde salaris van de advocaat van Arenda.

 

5.12 Arenda zal als de jegens [gedaagde sub 2] in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan zijn zijde gevallen proceskosten.

 

 

6  De beslissing

 

De rechtbank,

 

in de zaak tegen [gedaagde sub 1]

 

veroordeelt [gedaagde sub 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Arenda te betalen het bedrag van € 33.930,– (zegge: drieëndertigduizend negenhonderddertig euro en nul eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 20 maart 2007 tot aan de dag der voldoening;

 

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Arenda bepaald op € 855,– aan vast recht, op € 42,16 aan overige verschotten en op € 452, aan salaris voor de procureur;

 

wijst af het meer of anders gevorderde;

 

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

 

in de zaak tegen [gedaagde sub 2]

 

wijst af de vordering van Arenda tegen [gedaagde sub 2];

 

veroordeelt Arenda in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 2] bepaald op € 2.184,–, waarvan te voldoen:

a  aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 19 23 25 892, ten name van DS 545 arrondissement rotterdam, onder vermelding van zaak- en rolnummer):

  € 714,–   aan in debet gesteld vast recht;

  € 1.356,–  aan salaris voor de procureur;

  ——– +

  € 2.070,–

 

b  aan de advocaat van [gedaagde sub 2]:

  € 114,– voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

 

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

 

Uitgesproken in het openbaar.