4. Plaatsgebonden bedrijven en het begrip 7:290 BW-bedrijfsruimte

De plaatsgebondenheid is bepalend geweest bij de vaststelling van het werkingsgebied van de wettelijke regeling. De wetgever is van mening dat de onder de regeling vallende bedrijven extra bescherming behoeven vanwege hun plaatsgebonden karakter. De plaats van het gehuurde en de met deze plaats verband houdende opgebouwde klantenkring brengt de noodzaak van de extra bescherming van deze bedrijfsruimte met zich mee. Het onderscheid met andere bedrijfsruimte is dan ook logisch: een verplaatsing van een opslagplaats zal in het algemeen voor de klantenkring weinig van belang zijn (tenzij de opslagplaats slecht bereikbaar wordt), terwijl de verplaatsing van de onderneming naar een andere nabij de eerste locatie gelegen plaats voor bijvoorbeeld een Italiaanse broodjeszaak enorme consequenties kan hebben. Consumenten hebben vaak geen zin om voor een dergelijke consumptieve uitgave een paar meter om te lopen. De huurder moet daarom een zekere tijd hebben om in het gehuurde zijn onderneming te kunnen uitoefenen om op die manier zijn geld terug te verdienen. Uitgangspunt is daarom dat de huurder in een huurperiode van tien jaar, opgedeeld in twee perioden van vijf jaar, zijn investeringen moet kunnen terugverdienen. In het onderdeel over de opzegging van bedrijfsruimten wordt hier verder op in gegaan.

De rechter behoeft naar het aspect van plaatsgebondenheid van de onderneming niet altijd zelfstandig onderzoek in te stellen. Noot 10

In het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1981 (HR 30 januari 1981, NJ 1981, 378, m.nt. P.A. Stein (ANWB) geeft de Hoge Raad uitdrukkelijk aan dat er geen plaats is om de plaatsgebondenheid als criterium te hanteren als door de aard van het bedrijf en de bestemming van het gehuurde duidelijk is dat de gehuurde bedrijfsruimte onder de beschrijving van artikel 7:290 BW kan worden gebracht. Noot 11 Het aspect over plaatsgebondenheid speelt alleen een rol wanneer er twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of het betreffende gebruik valt binnen artikel 7:290 BW (1624 BW oud).

In het arrest van de Hoge Raad van 2 december 1977 (HR 2 december 1977, NJ 1979, 103, m.nt. P. Zonderland (Iberia) heeft de Hoge Raad de niet aanwezige plaatsgebondenheid de doorslag laten geven voor haar oordeel dat de gehuurde ruimte geen bedrijfsruimte in de zin van het huidige artikel 7:290 BW was. De rechtstreekse levering van tickets door een ticketservicebureau was dus niet bepalend voor bepaling van het huurregime waaronder de gehuurde onroerende zaak dient te vallen. In deze casus voldeed de bedrijfsruimte ogenschijnlijk aan de criteria als vermeld in laatstgemeld artikel. Het gehuurde viel echter niet onder de omschrijving als vermeld in het huidige artikel 7:290 BW te brengen, zodat de al dan niet aanwezige plaatsgebondenheid doorslag moest geven voor het antwoord op de vraag of er sprake was van artikel 7:290 BW bedrijfsruimte. Noot 12 Aangezien er geen sprake was van plaatsgebondenheid ten aanzien van de in het gehuurde ontwikkelde activiteit viel deze gehuurde ruimte niet onder het huurregime van artikel 7:290 BW. e.v.

De Hoge Raad heeft in haar uitspraak HR 1 juni 1984, NJ 1985, 31, m.nt. P.A. Stein (Collectrice Staatsloterij) de stelling nog eens onderschreven dat het criterium over de plaatsgebondenheid alleen een rol speelt als er sprake is van twijfel over de vraag of een bepaalde activiteit als uitoefening van een kleinhandelsbedrijf kan worden beschouwd. Dan is er reden om na te gaan of de onderneming in het gehuurde plaatsgebonden is. In het onderhavige geval behoefde de Rechtbank zich daarom niet te verdiepen in de plaatsgebondenheid van het bedrijf als bedoeld in het onderdeel, omdat de rechtbank door de aard van werkzaamheden en het spraakgebruik over deze onderneming kon beslissen dat er geen sprake was van een onderneming in de zin van artikel 7:290 BW. Noot 13